Twintigduizend straten onder de hemel van Patrick Hamilton

<em>Twintigduizend straten onder de hemel</em> van Patrick Hamilton

 

'Patrick Hamilton (...) verdient een hype à la Richard Yates' - VN

Patrick Hamilton was nog maar vierentwintig toen het eerste deel van deze magnifieke trilogie, De Midnight Bell, verscheen. Het verhaal dat hij vertelde was min of meer dat van hemzelf, en handelt over een jonge man, Bob, die barkeeper is in een kroeg op Euston Road. Hij verliest zich volledig in een jong hoertje, Jenny; een liefde die hem verscheurt en uiteindelijk ruïneert. Hamilton bleef terugkomen op deze geschiedenis, wat resulteerde in De zege van plezier en De betonnen vlakten, waarin hij respectievelijk het verhaal van de ondergang van Jenny en de ongelukkige liefde van barvrouw Nella vertelt.
Een herontdekte klassieker in de lijn van Richard Yates. Wat Evelyn Waugh deed voor high society-Engeland, doet Hamilton voor de zelfkant.

Een schitterend boek waaruit een adembenemend beeld van het Engeland van de jaren twintig oprijst. Het benarde klassenbewustzijn is alomtegenwoordig, terwijl naderend economisch en politiek onheil hun ijzige schaduw vooruitwerpen. De zelfkant van Londen is vaak beschreven, maar niemand heeft de drankdoordrenkte en schimmige wereld van het kroegleven zo scherp getekend als Hamilton.

Patrick Hamilton werd in 1904 in West Sussex geboren. Hij maakte naam als toneelschrijver, vooral met de stukken Rope en Gaslight, die later door Hitchcock werden verfilmd. Hij stierf in 1962.

Fragment

In zijn slaap, vlak voor vijven, op een donkere namiddag in oktober, had hij een buitengewoon heldere en auditieve droom. Hij droomde dat hij zich aan boord van een schip bevond dat aan een
verre, schitterende en betekenisvolle zeereis was begonnen, maar de kust nog geen uur geleden verlaten had. De kust was onmiskenbaar en vreemd genoeg die van Spanje. Hij hing over de reling en genoot in alle rust van dit stadium van de reis – een stadium dat hij goed kende. Het was dat buitengewoon onwezenlijke en oninspirerende stadium waarin het avontuurlijke gevoel nog door de vertrouwdheid en nabijheid van de kust aan de onderneming ontnomen wordt, en waarin de opwindende hectiek van de afvaart langzaam wegebt, tot alleen de gelijkmatige melodie van wind en golven en beweging, en de dreunende eentonigheid van de reis overblijven. Dat gedreun zou nog wekenlang aanhouden. Er stond een straffe wind die hem om de oren sloeg, kwam aanbulderen over de groene golven, het land dat hij zojuist had achtergelaten tot stilzwijgen bracht en tot iets onwerkelijks maakte. Hij had het ontzettend koud en voelde zich ietwat misselijk. Maar hij wilde zich niet bewegen – hij kon zich niet eens bewegen. Hij werd in slaap gewiegd door het krachtig ruisende water onder hem dat in het kolkende kielzog verdween, en hij kon zich onmogelijk bewegen.
Met een schok werd hij wakker in het alles uitwissende duister van zijn eigen kamer. Het ruisende geluid was zijn eigen ademhaling, en de onmacht om zich te bewegen was terug te voeren op zijn ingebakerde, maar koude, stijve positie op het bed. De gedroomde misselijkheid bleek echt te zijn. Het geraas van de wind in zijn droom kwam van een voorbijrijdende vrachtwagen op Euston Road.
De last van een koud en eeuwig weerkerend bestaan drukte zwaar op zijn gemoed. Hij was weer terug.
Hij maakte de balans op van de erbarmelijke omstandigheden waarin hij zich bevond. Hij lag in zijn krot van een kamer – op zijn bed. Hij lag echter niet ín bed. Afgezien van zijn jas en schoenen was hij geheel aangekleed, en alleen zijn grove sprei beschermde hem tegen de kou. Hij vreesde dat zijn kleren muf roken en verkreukeld waren van zijn diepe middagslaap.
Het was pikdonker – hoewel het nog geen vijf uur was. Anders zou zijn wekker wel zijn afgegaan. Hij hoefde nog niet op te staan. Beneden in de zaak was niemand te horen.
Waarom had hij geslapen? Hij herinnerde zich dat hij om halfvier als een tevreden mens naar boven was gegaan. Het was nog volop licht geweest. Nu was het akelig donker.
Met een zucht draaide hij zich om en opnieuw werd hij overspoeld door een golf van misselijkheid. Hij bleef roerloos liggen en wachtte gedwee tot hij voorbij was. Toen vloekte hij zacht en vol zelfhaat. Hij zag de waarheid onder ogen. Hij had tussen de middag weer te veel gedronken.