Het Bradburyrapport

Het Bradburyrapport

'Mijn persoon doet er niet toe'

2071. In de Verenigde Staten heeft de overheid een programma ontwikkeld dat gericht is op klonen als speerpunt in de gezondheidszorg. Nagenoeg elke Amerikaanse burger heeft de beschikking over een identieke kopie van zichzelf. Deze is ergens in een afgelegen gebied ondergebracht. Wanneer een origineel door ziekte of verwonding geopereerd moet worden, worden de benodigde delen van zijn kloon gebruikt.

Ray, een schuwe, kleurloze weduwnaar van in de zestig, ontvangt een telefoontje van een vrouw die hij sinds zijn studententijd niet meer heeft gezien. Deze vrouw, Anna, is lid geworden van een ondergrondse actiegroep tegen slavernij en vraagt Ray haar te helpen een ontsnapte kloon te verbergen. Ray is niet erg enthousiast, tot hij erachter komt dat het om zijn eigen kloon gaat.

'Een inventieve, cerebrale thriller.' - Kirkus Reviews

Steven Polansky woont in Wisconsin en is academicus. Hij was hoogleraar literatuurwetenschap aan verschillende Amerikaanse universiteiten. Zijn verhalenbundel Dating Miss Universe won diverse prijzen. Het Bradburyrapport is zijn romandebuut. De titel verwijst naar de Amerikaanse cultschrijver Ray Bradbury (1920), auteur van Fahrenheit 451. Zie ook: www.stevenpolansky.com.

Steven Polansky, Het Bradburyrapport, ISBN 9789029573726, € 21,95 | Bestel



UIt de pers

  • 'Nieuwe medische technologieën brengen ongetwijfeld nieuwe morele kwesties met zich mee. Is het klonen van mensen ethisch verantwoord, hebben klonen recht op een eigen leven en hoe reageren ze om gewoon als ‘onderdeel’ te worden geslachtofferd wanneer hun origineel nood heeft aan een orgaan? Deze vraag is de rode draad door dit verhaal heen. Verwacht echter geen sciencefiction, Polansky is er heel kundig in geslaagd het thema te verweven in een zeer menselijk boek waarin de relaties tussen mensen centraal staan.' - www.crimezone.nl

  • Fragment uit Het Bradburyrapport

    Een


    Mijn persoon doet er niet toe. Wat je van de meeste mensen zou kunnen zeggen. In het rapport dat nu volgt dicht ik mezelf geen speciale rol toe behalve één, en die beschouw ik niet als mijn eigen verdienste. Dit rapport zal uiteindelijk niet over mij gaan. Ik kies mijn woorden hier met zorg uit, en met spijt, maar geen overweldigende spijt. Daarvoor weet ik te goed in wat voor ontgoochelende wereld we leven.
    Ik ben geboren zonder uitgesproken vooroordelen. Ik was rijk noch begaafd, mooi noch blijmoedig van aard. Ik was ook niet arm of gehandicapt, of mismaakt of droefgeestig. Ik heb bij mijn geboorte ongeveer alles meegekregen wat ik nodig had. Ik was een baarmoederlijke baby - ik ben nu zesenzestig jaar - en ben verwekt zonder technische ingrepen. Mijn ouders hielden van me.
    Als ik meer geluk had gehad - als ik me meer voor het geluk had opengesteld, zou Anna zeggen -, als het lot mij gunstiger gezind was geweest, had mijn leven er wellicht anders uitgezien. Dan had ik misschien iets gepresteerd dat tekenend was, dat me had uitgetild boven andere mensen zoals ik. Dan had ik misschien een doel gevonden dat me de weg had gewezen en kracht had gegeven. Dan was ik misschien net zo gelukkig geweest als sommige anderen schijnen te zijn. Ik heb mijn kansen gemist. Of ze zijn me onthouden. Ik ben geen slecht mens. Ik ben niet louter zelfzuchtig geweest. Ik heb geprobeerd op een redelijke manier te leven, heb altijd vermeden een ander te kwetsen, als dat vermeden kon worden. Ik ben, zonder kolossale fouten gemaakt te hebben, altijd onbelangrijk geweest. Dat ben ik nog steeds, ook voor mezelf.
    Ik ben een oude man. In november - als ik er dan nog ben, wat niet waarschijnlijk is - word ik zevenenzestig. Dat is niet oud, luidt het voor de hand liggende protest. In onze tijd, in deze eeuw, met onze middelen is dat nog lang niet oud. Maar ik ben niet goed geconserveerd. Ik heb niet mijn best gedaan om jong te blijven. Ik heb niet regelmatig beweging genomen. Ik heb niet goed op mijn voeding gelet. Ik heb altijd te weinig geslapen. Of te veel. Ik heb mijn gebit of mijn haar of mijn huid nooit laten verjongen, heb nooit vet laten weghalen of celtherapie ondergaan. Niet dat ik niet ijdel was, maar het ontbrak me aan enthousiasme. Zoals veel mensen van mijn leeftijd, van mijn klasse, heb ik me zodra de mogelijkheid bestond opgegeven voor replicatie, evenwel zonder er al te veel over na te denken. Ik heb geen nageslacht - dat wil zeggen, geen zoons of dochters. Niemand om me terecht te wijzen of aan te moedigen. Mijn vrouw, met wie ik slechts zeven jaar getrouwd ben geweest - een eeuwigheid geleden, lijkt het nu - stierf een zinloze en atavistische dood, vond ik, in het kraambed. We hadden voor een jongen gekozen, met bruin haar en groene ogen - meer keuzes maakten we niet - , maar we hadden hem geen naam gegeven. Ik had verdriet. Ik kon geen reden bedenken om opnieuw te trouwen. Ik ben versleten. Wanneer ik moeizaam door de straten van Lebanon liep, zag men mij voor veel ouder aan dan ik ben. Ik ben ziek geweest. Ik hab al eens op het randje van de dood gebalanceerd en balanceer daar nu weer, niet zonder dankbaarheid.
    Gevoel voor humor heb ik nooit gehad. Zo lang als ik me kan herinneren heb ik nooit de lol ingezien van dingen waar anderen om moesten lachen. Ironie is aan mij niet besteed, en ik begrijp die vaak verkeerd. Doorgaans meen ik wat ik zeg. Ondanks mijn moeizame verhouding met de taal, zal ik proberen duidelijk en precies te formuleren.