De jongen van hiernaast

De jongen van hiernaast

Prachtige debuutroman

Lindiwe en Ian groeien als buren op in Bulawayo, maar in heel verschillende omstandigheden. Zij is een zwarte Zimbabwaanse van de nieuwe middenklasse, hij is een armoedige ‘Rhodie’, iemand van de oude witte elite. Daarnaast wordt Ian beschuldigd van een gruwelijke misdaad.
Hoewel de relatie tussen Lindiwe en Ian alles tegen zich heeft, worden ze verliefd op elkaar; een moeizame liefde tegen een achtergrond van politieke onzekerheid. De nieuwe regering, die aanvankelijk een toonbeeld van Afrikaanse democratie is, verandert in een regime waarin paranoia en angst overheersen. Ondanks alles is de aantrekkingskracht tussen Lindiwe en Ian onverwoestbaar.
De jongen van hiernaast vertelt het verhaal van een eerste liefde maar ook de geschiedenis van een fascinerend land.

Irene Sabatini werd in de jaren zestig geboren. Ze groeide op in Bulawayo en studeerde aan de universiteit van Harare; vervolgens ging ze op wereldreis. Nu woont ze in Genève.

Fragment

Twee dagen na mijn veertiende verjaardag stak de zoon van de buren zijn stiefmoeder in brand.
Een week later kwam de politie. Ik zat op de veranda Sue Barton, hoofdzuster te lezen, en ik was net bij het stuk waarin dokter Bill Barry aan Sue Barton vraagt of ze met hem wil trouwen. Papa was onder de jacaranda aan de Cortina aan het sleutelen. Mama was in de slaapkamer haar nieuwe Manyano-kleren aan het passen voor de plechtigheid in de kerk waarbij vijftien jonge vrouwen als volwaardig lid tot de congregatie zouden worden toegelaten. Rosanna was haar aan het helpen.
‘Goedemiddag, meneer Bishop,’ hoorde ik. ‘Sorry dat we u storen. We komen voor hiernaast.’ De hoofdagent veegde zijn voorhoofd af met een zakdoekje. ‘We gaan nog eens kapot aan die hitte,’ zei hij; vanaf de veranda zag ik een natte, donkere plek op zijn overhemd, dat vastgeplakt zat aan zijn rug.
Het was middag en er stond geen wolkje aan de hemel. Er was in Bulawayo nog geen druppel regen gevallen, ook al was het eind januari.
‘Geen vervoer, dat is het probleem. We moeten alles lopen tegenwoordig. Tien kilometer, en ik ben de jongste niet meer, niet zoals die domme kalveren daar.’ Hij wees naar de twee andere politieagenten die vlak bij de Cortina in de houding stonden.
Papa zei iets over stieren, waar de hoofdagent om moest lachen, maar de domme kalveren bleven even stram en serieus.
De meeste gloednieuwe politieauto’s die door Engeland ter beschikking waren gesteld lagen op de schroothoop; het was een statistisch feit dat de gevaarlijkste automobilisten van Zimbabwe bij de politie zaten. De hoofdagent, die nog maar kortgeleden promotie had gekregen nadat zijn blanke meerdere zijn ontslag had ingediend, was laatst zelf tegen een elektriciteitspaal geklapt, en papa had erop gezinspeeld dat hij waarschijnlijk geen geldig rijbewijs had.
‘Kunt u nog aan benzine komen?’ vroeg de hoofdagent, terwijl hij een blik op de twee agenten wierp die vervolgens naar voren sprongen. Het leek alsof hij ze met een touwtje in beweging had gezet.
‘Een beetje maar,’ antwoordde papa terwijl hij de motorkap zachtjes dichtdeed. ‘Net genoeg voor naar kantoor en terug.’
Ik wist dat hij overdreef; hij wilde de hoofdagent niet op het idee brengen dat die hem wel om vervoer kon vragen.
De hoofdagent pakte zijn zakdoekje weer en bette zijn voorhoofd. ‘Die Zuid-Afrikanen maken het wel erg moeilijk, meneer Bishop.’
De kop in de Chronicle van die dag ging over de RENAMO-rebellen in Mozambique die door Zuid-Afrika werden gefinancierd. Ze hadden een groot stuk van de oliepijpleiding naar Zimbabwe gesaboteerd. Zuid-Afrika probeerde onze prille onafhankelijkheid te destabiliseren.
‘Laten we hopen dat we kunnen voorkomen dat de Beira-pijpleiding nog vaker wordt gesaboteerd,’ zei mijn vader terwijl hij zijn handen afveegde aan zijn oranje overall.
Ze bleven allebei naar de Cortina staan kijken alsof ze daar een reactie van verwachtten. De wagen stond trots te glanzen in de hitte.
De hoofdagent kuchte en schraapte zijn keel. ‘Nou, meneer Bishop. Het is een treurige zaak waar we voor komen. We...’
Roxy, onze Jack Russell, die in zijn hok had liggen slapen, kwam in volle vaart aanrennen. Hij nam een aanloop, belandde op een politievoet en begon energiek aan de laars te likken. De politieagent hupte, sprong, en schudde met zijn voet, maar hij kon Roxy niet van zich af schudden. Uiteindelijk wist mijn vader hem los te trekken, waarbij hij erg zijn best deed om niet te lachen.
‘We zoeken bewijzen,’ ging de hoofdagent verder toen Roxy veilig bij mijn vader onder zijn arm zat. ‘We hebben het huis van McKenzie grondig doorzocht en nu zoeken we op het omliggende terrein. We willen graag even bij de erfafscheiding kijken.’

Nieuwsbrief

Wilt u iedere maand onze e-mail nieuwsbrief met al het nieuws over de uitgaven en acties van De Arbeiderspers ontvangen? Laat dan hier uw gegevens achter.