De grens
Foto: Janne Aaltonen
Moderne tragedie over menselijke grenzen en taboes
Grensoverschrijdend Fins debuut
Anja Aropalo, een 53-jarige literatuurprofessor, heeft haar aan alzheimer lijdende man een belofte gedaan: ze zal hem helpen met sterven als hij zich niets meer herinnert.
Tegelijkertijd geeft de nicht van Anja, de zestienjarige Mari, zich vol jeugdig vuur over aan haar verliefdheid voor haar leraar Fins, die haar gevoelens verrassend genoeg beantwoordt. Tijdens hun onconventionele relatie vervagen de grenzen tussen goed en fout.
Hoeveel verantwoordelijkheid kun je dragen voor een ander? Kunnen de wet, diepgekoesterde verlangens en de drang om het juiste te doen ooit samenvallen in een mensenleven?
Pulkkinens scherpzinnige roman beschrijft menselijke tragedies die subtiel met elkaar vervlochten zijn en nog lang blijven nazinderen.
De grens werd juichend ontvangen in Finland door kritiek en lezers. Er werden in dat land meer dan 50.000 exemplaren van het boek verkocht.
Nu ook in Nederland al de vijfde druk!
De pers over De grens
- 'Indrukwekkende roman.' - de Volkskrant
- 'Gezocht en gevonden: de vrouwelijke tegenhanger van Paolo Giordano.' - Humo
- 'Een van de knapste filosofische romans van de voorbije jaren.' - De Morgen
Fragment uit De grens
Op een donderdag komt hij pas midden in de nacht thuis. Anja staat hem in de donkere keuken op te wachten en probeert een onverschillige houding aan te nemen.
‘Hallo,’ zegt hij, alsof hij het tegen een collega heeft.
Ze pauzeert veelzeggend voordat ze antwoord geeft. ‘Jij ook hallo.’
Hij steekt de lichten aan en zet een zak met broodjes op tafel. Vanillebroodjes. Uit de verpakking kan ze afleiden dat hij ze bij een tankstation langs de snelweg heeft gekocht. Anja trekt haar conclusies en verwaardigt zich niet er iets over te zeggen.
Hij loopt naar de keukenkast en neemt een pannendeksel. Wat wil hij daar nou mee, denkt Anja. Op donderdagnacht, om één uur in de ochtend. Hij legt de broodjes op de deksel. Het zijn er zeven.
‘En nu ga je dus koffiezetten.’
‘Ja.’
‘Midden in de nacht ga jij koffiezetten.’
‘Inderdaad.’
‘Ben je op je werk geweest?’
‘Op mijn werk, ja.’
‘En het is een beetje uitgelopen.’
‘Inderdaad ja.’
Hij neemt een kaasstolp uit de keukenkast en zet hem over de broodjes. Anja kijkt verbluft naar het hele gedoe. Hij neemt de kan uit het koffiezetapparaat, giet er water in en meet tien kopjes af.
‘Godverdomme,’ zegt Anja. ‘Dat zet hier een koffiekransje op touw! Eerst gaat ie de hort op en dan komt ie thuis om gezellig een bak koffie te drinken met zijn vrouw na een avondje uit! Denk godverdomme niet dat ik niet weet wat er aan de hand is!’
‘Godverdomme,’ briest hij. ‘Wat heb jij opeens? Ik sta in mijn eigen keuken koffie te zetten.’
Ze begint te snikken. Haar vraag wordt gesmoord door de eerste, niet te onderdrukken tranen; haar stem klinkt ontroostbaar, en zo voelt ze het ook. ‘Waar wás je?’
Hij komt tot rust, zet een stap in haar richting. Anja ziet in zijn blik voor het eerst de radeloosheid, die ze door haar woede niet eerder had opgemerkt. Hij streelt met zijn vingers haar haren. Zijn handen trillen.
Hij probeert te glimlachen, maar zijn stem verstilt tot een bang gesnuif. ‘Ik ben verkeerd gereden.’
‘Wat? Waar dan?’
‘Weet ik niet.’
‘Hoezo, je weet het niet?’
‘Ik weet het niet. Ik weet het gewoon niet. Ik was verdwaald.’
Hij glimlacht moeizaam, het is een gekwelde grijns waar besef en zekerheid doorheen schijnen, en plotseling is Anja bereid om alles te zeggen, om het even wat, als hij maar ophoudt zo te glimlachen.
Wat zal ze zeggen? Wat kan ze doen? Misschien zegt ze wel datgene wat hij horen wil, wat ze allebei willen horen. Ze zou hem kunnen kussen en dan lachen, hem kunnen plagen met zijn verstrooidheid, en zo het pantser van de angst dat om hen heen ligt doorbreken. ‘Gekkie,’ kan ze zeggen, en daarna zou ze hem teder in zijn arm kunnen knijpen.
Daar zitten ze dan, man en vrouw, samen vanillebroodjes etend en koffiedrinkend op een donderdagnacht om één uur in de ochtend, en geen van beiden maakt een opmerking over het feit dat er zeven broodjes onder een kaasstolp op een pannendeksel liggen.
Geen van beiden zegt er ook maar iets over.
