Je zal zo'n moeder hebben

Je zal zo'n moeder hebben

 

De leukste columns over moederschap

Laconiek, herkenbaar, hilarisch en met de nodige zelfspot schrijft Wieke Biesheuvel in Libelle over haar gezin, partner, avontuurlijke reizen en haar afwisselende leven. Maar vooral over wat het betekent om moeder te zijn. Over de wisselende gevoelens die het moederschap met zich meebrengt. Over hoeveel pret ze met haar kinderen had en nog heeft. Over de zorgen die je je als moeder maakt. Ook dat gaat nooit over. Voor deze unieke bloemlezing heeft Wieke een selectie gemaakt uit haar circa duizend columns.

'Een prachtbundel met columns over moeder zijn, waarin veel (groot)moeders zich zullen herkennen.' - Franska Stuy, hoofdredacteur van Libelle

Bestel dit boek in de webwinkel. <€ 12,50)

 

 

Lezeressen over de columns van Wieke Biesheuvel

  • 'Ik lees jouw columns omdat ze herkenbaar zijn. Prettig geschreven en bijzonder humoristisch.
    Je reiscolumns openen mijn ogen en mijn hart voor het leed in de derdewereldlanden.' (Céline, 62)
  • 'Sinds ik leerde lezen, lees ik Wieke’s columns in de Libelle van mijn moeder. Zij las de meest hilarische stukken ook wel voor. Ik vind de columns nuchter, scherp, verrassend, ontroerend en Wieke heeft nul komma nul kapsones. In al die jaren is het haar nooit gelukt om te verbloemen dat ze een ontzettend leuk mens is.' (Francisca Eitjes, 22)
  • 'Hoera! Een nieuwe bundel! Je vorige staat letterlijk boven mijn bed. We hebben genoeg zaken gemeenschappelijk, maar ook de verschillen maken dat ik je columns elke week graag lees. En je reisverhalen vind ik indrukwekkend.' (Annelies Steenbrink, 57)
  • 'Eerlijk, herkenbaar, ontnuchterend, humoristisch, vol zelfspot, verdiepend, serieus, hilarisch, realistisch…kortom, columns die mij zeer aanspreken!' (Anja van Someren, 34)
  • 'Ik lees jouw columns altijd als eerste. Je maakt zoveel leuke dingen mee, waar een ander alleen maar van droomt en je schrijft het zo lachwekkend op. Ik deel je passie voor Afrika en daarnaast ben je een heel warm persoon met wie je zo bevriend zou willen zijn.” (Wilma De quaasteniet, 50)

  • Column uit Je zal zo'n moeder hebben

    Moederdrift slaat op hol

    Ik ben onkruid aan het wieden als Maartje naar me toe holt: 'Mám! Mark zit bij een vreemde mevrouw in huis te huilen en ze hebben hem beroofd!' Ze heeft naam en adres en genoteerd en ik spring in de auto. Mark is in paniek bij een lieve oude dame naar binnen gerend. Met vriendje Rik was hij naar het dorp gefietst om spijkers te kopen. Twee grote jongens hadden ze tegengehouden en ze moesten hun geld afgeven. 'Ik ben hard weggefietst toen ze Rik vastpakten, ik heb hem in de steek gelaten,' snikt hij. We bedanken de lieve mevrouw en rijden naar het politiebureau, waar ook Riks moeder zit. 'Rik had niet eens geld bij zich, maar ik wel,' zegt Mark tegen de agente. En ineens word ik spinnijdig op die twee jongens die het voorzien hebben op geld van kinderen die een kop kleiner zijn. Ze zijn nog niet klaar met mij als ik ze in mijn vingers krijg. 'Met ons ook niet mevrouw,' sust de agente. Riks moeder, die zeven kinderen heeft, blijft nuchter. 'Een kwajongensstreek,' denkt ze, 'en Rik komt wel weer boven water.' Mark en ik rijden naar huis en halverwege zien we Rik op de stoep lopen, met zijn fiets aan de hand. Twee ventielloze banden. Echte helden, die jongens. We hijsen Rik en zijn fiets ook in de auto en zetten hem thuis af.
    Een paar dagen later zegt Mark: 'Mam, ik heb die ene jongen weer gezien.' 'Wáár, wannéér?' roep ik. 'Bij Wouter, hij kwam iets afgeven voor Wouters moeder.' Ik grijp de telefoon en ontfutsel Wouters moeder het adres van de jongen. Voorzichtig probeert ze me ervan te weerhouden meteen de politie in te schakelen, maar ik ben nog steeds zo kwaad dat ik haar advies in de wind sla. Ik sein de agente in die ons zo vriendelijk te woord heeft gestaan. Zij zal contact opnemen met zijn ouders.
    Een paar uur later belt de moeder van de boosdoener. 'Hij ontkent alles, dus ik kom nú met hem bij u langs.' Als ik de deur opendoe, staat er een mij van de sportschool bekende moeder op de stoep, met een keurige zoon. 'Gut, ben jij het!' hakkel ik. Mark bekijkt de jongen van top tot teen. 'Dit is hem niet,' zegt hij kleintjes. Gegeneerd bied ik het onschuldige lam een reep chocola aan. Ik heb me weer op mijn kop laten zitten door oeroude moederdriften: als ze mijn welpjes willen opeten bijt ik, zoiets. Maar of het verstandig was? De andere moeder begrijpt het wel. De zoon ook. 'De meeste mensen zijn aardig,' zeg ik later tegen Mark, 'maar sommige niet en die zul je altijd en overal tegen blijven komen.'
    [Mei 1992]