Ik verzin dit niet
Nieuwe bundel van een zeer geliefd columniste
Hebt u een ex-fruitschaal? Kunt u geen pompstation passeren zonder een frisbee, een kilo winegums en een verdorde frikadel aan te schaffen? Zit er altijd blauw pluis op uw pasgelakte teennagels? Hoe gaat het met uw staafmixer? Wat vonden uw kinderen van de homevideo van hun eigen geboorte? Verwaarlozen ze hun cyberhuisdier, op úw laptop? Vervoert u in uw bagage weleens massavernietigingswapens, levende slakken, geheime rookworsten of vijf identieke IKEA-teddybeertjes? Vást wel. Maar bent u ook halsoverkop verhuisd naar een véél te zonnige Amerikaanse buitenwijk? Waar de poezen blauwe plaknagels dragen maar het verboden is een alligator aan een brandblusser vast te ketenen? Waar uw reistandenborstelontsmetter 99 procent van de ziektekiemen onschadelijk maakt, maar uw kinderen in pindavrije schoolbussen reizen? Waar u van pure agitatie in de supermarkt een doos negerzoenen kapot knijpt, of vergeefs aan de Heilige Maagd in een replica van de Lourdesgrot vraagt of ze u misschien kan leren skiën?
Vást niet.
Gelukkig kunt u in dit boek lezen hoe het moet.
Ik verzin dit niet is een nieuwe bundel van de zeer geliefde columniste Sylvia Witteman. Het vervolg op de bestseller Pekingeend bij nacht.
Fragment
Schattig
Wat betreft mijn kinderen is de opvoeding er tot dusver nogal bij ingeschoten. In Nederland viel dat nooit zo op, omdat mijn vrienden en familie er daar in dat opzicht ruwweg dezelfde ideeën op nahouden, namelijk géén.
Dat komt erop neer dat je je kinderen probeert gelijkwaardig aan jezelf te behandelen, tot het moment dat je daar geen zin meer in hebt, waarna je een fles opentrekt en het gespuis met een zak chips omkoopt om het gillen en stompen boven of buiten voort te zetten. Als dat niet helpt, dreigen met ‘geen toetje’ en daarna het toetje toch maar geven omdat het anders zo zielig is, tenzij blijkt dat er sowieso geen toetjes in huis zijn behalve een dure doos bonbons met drank erin, en dan die maar met z’n allen opeten. Waarna die kinderen opgeschroefd van de suiker weigeren naar bed te gaan, en het punt van machteloos schreeuwen is aangebroken, in het genre ‘als je nou godverdomme je pyjama niet binnen tien tellen aan hebt, ruk ik je kop van je romp’. Dat hebben ze al zo vaak gehoord, dus ze lachen je in je gezicht uit, maar zelf voel je je zo schuldig over die schandelijke eruptie dat je nog een halfuur extra voorleest, uit een stripboek nota bene, de ergste variant van voorlezen die er bestaat.
Met deze dubieuze achtergrond belandden mijn kinderen onlangs in een megatruttige Amerikaanse buitenwijk. Bij Amerikaanse kinderen stelde ik me de familie Von Trapp voor, in The Sound of Music. Kinderen die zelfs tijdens het (beschaafd) ravotten niet schreeuwen, slaan of over elkaar heen pissen, maar daarentegen zevenstemmig canons zingen, en als vaders blik streng maar geamuseerd even op ze rust een kniebuiginkje maken, waarbij de meisjes de punt van hun schortje even oplichten en de jongens beleefd aan de pet tikken; het hele stel uiteraard opgesteld in volgorde van grootte. Ik hield dus mijn hart vast.
Ja hoor, daar had je het al. Nieuwe buren kwamen kennismaken met rieten mandjes vol koekjes en goede bedoelingen, een hevig geruit jongetje met brilletje schudde ernstig onze handen en was ‘delighted to meet us’, waarop mijn driejarige hem zonder zelfs maar een groet per omgaande zijn fietsje ontrukte en de straat uit reed. Intussen viel er een vuistgrote walnoot uit onze notenboom pardoes op het hoofd van het brave jongetje, dat nog ‘mogen uw kinderen gauw eens komen spelen, mevrouw?’ stamelde en wankelend gedag zwaaide.
Nou ja, die noot, daar kon ik niks aan doen. Zijn moeder kwam aangesneld, niet om verhaal te halen, maar om een pot eigengemaakte jam te brengen, óók alweer geruit, en om geheel ongevraagd te verklaren dat mijn jongste zoontje ‘adorable’ was. Nu is hij in werkelijkheid niemand minder dan Satans filiaalchef op aarde, maar dan wél bedrieglijk vermomd als lieflijk witblond engeltje met pruilend poppengezichtje. Thuis trapt daar al lang niemand meer in, maar hij begreep meteen dat hij zijn glimlach hier nog naar believen kon omzetten in snoep, speciale gunsten of harde valuta.
De eerste dag op zijn nieuwe peuterschooltje leerde hij dan ook stralend ‘thank you’ en ‘bye bye’ zeggen, wat hem op een stroom van vrolijke plakplaatjes, gummetjes, krijtjes en andere kleine geschenken kwam te staan, plus het recht om te helpen met boterhammen smeren of pakjes limonade ronddelen, en de herhaaldelijke verzekering van de juf dat hij haar ‘adorable special little friend’ was, wat nog eens dagelijks door alle afhaalmoeders in koor werd bevestigd.
Thuis wordt hij met de dag onuitstaanbaarder. Toen hij gisteren alwéér de afstandsbediening had gesloopt, viel ik boos tegen hem uit, waarop hij reageerde: ‘Het geeft niks, mama. Ik ben toch adorable?’
Zijn broer keek hem aan, de ogen vol walging samengeknepen, en sprak gedecideerd: ‘Lul.’