Tot besluit: een onverwacht advies
Onno Bosma - column 14
Tot besluit: een onverwacht advies
3 oktober 2011
Geen betere manier om je hoofd na het schrijven en publiceren van een roman leeg te maken dan je benen te gebruiken tijdens een trektocht. Tentje, eten en een slaapzak op je rug en lopen maar.
Ik liep vorige week zo’n 170 kilometer van het kustpad van Bretagne. Het was er net zulk stralend weer als in Nederland, de Atlantische Oceaan spiegelglad en diepblauw. Soms voert het pad over een steile klifkust en ben je permanent aan het klimmen en dalen. Erg inspannend en zweterig, vooral als het zo ongehoord warm is. Er zijn ook vlakkere stukken met witte stranden en een duinachtig landschap erachter.
‘Waar denk je eigenlijk aan, als je zo loopt?’, vragen mensen me wel eens. Ze verwachten een antwoord vol diepe roerselen. Tijdens trektochten denk ik echter helemaal niet, daar leent de bezigheid zich niet voor. Op een smal pad, vlak langs een diepe klif, moet ik oppassen mijn evenwicht niet te verliezen, wat met een zware rugzak zo maar kan gebeuren. Als ik een estuarium nader – die zijn er in Bretagne om de haverklap – vraag ik me af, of het getij laag genoeg is om door te steken over de wadachtige ondergrond, of dat ik pech heb en de hele baai om moet lopen. Ben ik voor half twee bij het restaurantje dat de topoguide aankondigt, of wordt het een maaltijd van al aardig verouderd brood? Wordt het vandaag 24 of 28 kilometer? Hoeveel last ga ik van het pijntje bij mijn linker kleine teen krijgen? Wat is het toch leuk om mensen met dit mooie weer op het strand te zien, ontspannen, gemoedelijk, alsof er geen kwaad in de wereld bestaat. Goed dat je geen honden mee mag nemen op het strand, trouwens. Lekker, daar komt een bosje aan, een tijdje schaduw op komst. Enzovoorts, enzovoorts: een trektocht maken is leven bij het moment.
Ik loop meestal alleen, maar deze keer hield mijn jongste zoon me gezelschap. Meestal liep hij een meter of honderd voor me uit. Pas ’s avonds, als de koelte kwam en we minstens een half uur zwijgend op een weitje bij hadden liggen komen, kwam er een gesprek op gang. ‘Je boek is nogal pessimistisch’, zei hij op zo’n avond plotseling, terwijl recht boven ons hoofd de heldere ster Wega het begon te winnen van het in een oranje gloed uitdovende daglicht. ‘En terecht’, voegde hij er meteen aan toe. ‘De meeste mensen doen maar wat.’
Pessimistisch? Ik moest nadenken over het woord, voelde de neiging mijn zoon tegen te spreken. ‘Ik schrijf pessimistisch over de massa’, zei ik na een tijdje. ‘Die loopt achter Wilders aan, consumeert, wordt te dik en wil zichzelf niet verheffen. Maar er zit ook optimisme in m’n boek, vooral als het over individuen gaat. Songül haalt haar taxidiploma, hoe moeilijk dat ook voor haar is. Els van de Maarel wordt door haar nieuwe geliefde ingewijd in de wonderen van de opera. En Margje dan, oma Margje Metsiers? Zo oud als ze is, ze blijft geloven in de parlementaire democratie. Ondanks Fortuyn, Verdonk, Wilders. En ik schrijf toch ook veel over de kansen die het onderwijs biedt?’
Bij het woord onderwijs ging het gesprek een andere richting uit: wat voor leraren hebben de drie kleinkinderen, geven ze hun leerlingen essentiële dingen mee? In De verzoeking van Johan Metsiers verwijt de regisseur Nick Alldown een verzameling leraren dat ze zich in hun vakbond teveel bezig houden met de cao’s en te weinig met de vraag hoe ze hun leerlingen kunnen inspireren en voorbereiden op een leven dat niet alleen uit economisch functioneren bestaat. Ik hoorde van mijn zoon sterk uiteenlopende ervaringen met de drie scholen die zijn kinderen bezoeken.
Op het weitje in Bretagne, onder een langzaam oplichtende Melkweg, nam ik me voor om mijn laatste column voor De Arbeiderspers te laten gaan over de betekenis die het onderwijs kan hebben om jonge mensen uitzicht te bieden op verheffing, wat dat woord ook mag inhouden. Maar de volgende dag verdween het onderwerp weer uit mijn steeds leger wordende hoofd en toen ik gisteren thuiskwam, leek er een heus writers block op me af te komen.
Maar daar lag op de stapel leesvoer de brochure Pedagogiek als tweede natuur, met de tekst waarmee Piet Boekhoud vorige week in een openbare les het lectorschap ‘Pedagogiek van het beroepsonderwijs’ aan de Hogeschool van Rotterdam aanvaardde. Boekhoud was jarenlang directeur van het Albedacollege, in het Rotterdamse een haast legendarische figuur, onvermoeibaar werkend aan middelbaar beroepsonderwijs dat leerlingen meer biedt dan alleen de beroepsopleiding. Boekhoud vindt dat er veel ‘pedagogische verlegenheid’ in het onderwijs is geslopen. Hij wil dat die verlegenheid afgeworpen wordt en dat leraren ‘empathisch met een rechte rug’ jongeren helpen zich te ontwikkelen als persoon en als iemand met verantwoordelijkheden in de samenleving. Aan handleidingen over pedagogiek zullen de docenten daarbij niet veel hebben, ze zullen zelf de persoonlijke eigenschappen moeten ontwikkelen waardoor hun leerlingen zich gestimuleerd, aanvaard en gekend voelen.
Piet Boekhoud geeft toe dat hij in de dagelijkse praktijk ook wel eens door moedeloosheid werd overvallen. Maar hij blijft, getuige zijn pleidooi voor een leraarschap dat sterk doet denken aan dat van Theo Thijssen, overtuigd van de mogelijkheden die het onderwijs biedt om tegenwicht te bieden aan alle negatieve ontwikkelingen in de samenleving waar de personages in mijn roman tot hun grote verontrusting getuige van zijn. En omdat hij die overtuiging zo prachtig verwoordt, besluit ik mijn serie columns ter promotie van De verzoeking van Johan Metsiers met het wellicht onverwachte advies om zijn brochure te bestellen bij de Rotterdam University Press, ISBN 9789051797633 (klik hier voor de link, en klik op het tabje Rotterdam University Press).
Lezer! Gegroet!
Van Onno Bosma verscheen op 15 september 2011 de roman De verzoeking van Johan Metsiers. Tot aan de publicatie schreef hij wekelijks een column voor deze website, In deze vorm is dit zijn laatste column.
