Paris-Brest
Familieroman vol vaart
Louis: verloren zoon, student in Parijs, stapt op de trein naar Brest met een oude koffer die hij van zijn oma heeft gekregen. Een koffer die ooit vol zat met bankbiljetten: oma had een fortuin aan contanten geërfd. Nu zit er een manuscript in de koffer, een bom die elke minuut kan ontploffen en de stilte die zijn familie in Bretagne heeft opgezocht, kan ruïneren.
Paris-Brest draagt een grote onderhuidse spanning in zich. Viel zelf verwijst graag naar de traditie van de Engelse roman, zoals Wuthering heights van Emily Brontë. ‘Aan de ene kant wilde ik een familiegeschiedenis vertellen, à la française. Anderzijds mikte ik ook doelbewust op de Engelse roman,’ aldus Viel. Dit verhaal speelt zich grotendeels af in het Bretonse Finistère, wat letterlijk betekent: het einde van het land - daar waar de kustwateren het gevaarlijkst zijn, de rotsen er vervaarlijk uitzien en de mensen het minst spraakzaam zijn... Een weinig opbeurende plek.
Tanguy Viel is in 1973 geboren in Brest. Zijn werk is in verscheidene landen uitgegeven.
Tanguy Viel, Paris-Brest, 9789029576062, € 17,50 | Bestel
Bekijk/beluister hier de boekbespreking tijdens OBAlive
Boekbespreking op het blog De wraak van de dodo.
Een soort van lijfrente
Fragment uit Paris-Brest
Jawel, hij stelde haar zelfs voor om zijn erfgename te worden, en zelfs zijn algemene legataris zoals ze dat noemen, zoals ze dat hoorde noemen. Als enige tegenprestatie werd van haar verlangd dat ze aanwezig bleef aan zijn zijde, elke dag die hij nog te leven had, in ruil voor zijn vermogen van achttien miljoen.
Ze had het goed gehoord.
Achttien miljoen.
Ze dacht er uitgebreid over na. Nachtenlang lag ze in bed te woelen, urenlang belde ze met haar dochter, dagenlang ijsbeerde ze door haar appartement. Ze dacht er nog uitgebreider over na omdat ze vanaf het begin wist dat ze ja zou zeggen. Ze dacht niet na over de vraag of ze ja of nee zou zeggen, ze dacht na over hoe ze haar ja voor zichzelf kon verantwoorden. Zodra hij het voorstel had geopperd, zodra hij het woord ‘legataris’ of het woord ‘erfgenaam’ of misschien wel het woord ‘vermogen’ had uitgesproken, had haar hart ja gezegd.
Nauwelijks had ze in het restaurant gehoord dat hij haar iets te zeggen had, iets belangrijks, of ze wist al dat ze ja zou zeggen.
Toch heeft ze eerst nee gezegd en dat is ook logisch. Ten eerste weet iedereen dat je altijd eerst nee moet zeggen, bovendien had hij het niet over geld of een erfenis, nee, hij had het eerst over trouwen. Maar wat voor verschil maakte het nu of ze getrouwd waren of niet, wat voor verschil zou dat maken, praatte hij op haar in, hij die thuis in zijn eentje naar Beethoven luisterde terwijl hij bij zichzelf dacht dat zelfs naar Beethoven luisteren zinloos was als hij dat in zijn eentje moest doen, ook daarvoor of alleen daarvoor had hij gezelschap nodig, ja precies, dacht hij thuis in zijn eentje, een gezelschapsdame.
Gezelschapsdame, zo formuleerde hij het niet zelf, nee, dat heeft mijn vader bedacht. Zo’n formulering kon inderdaad alleen van mijn vader komen, en dan ginnegapte hij zenuwachtig om zijn schoonmoeder, dan proestte hij het uit aan tafel zodat mijn moeder het op haar zenuwen kreeg en zich haast schaamde omdat hij uitgerekend over háár moeder zo bezig was, een beetje respect, eiste ze, een beetje respect alsjeblieft. Want Albert zou zich nooit op die manier hebben uitgelaten, nee. Hij wilde misschien wel, hij dacht het misschien wel, maar het zou inderdaad nooit over zijn lippen zijn gekomen. Hijzelf zei alleen: u zult me gezelschap houden tot ik sterf, Marie-Thérèse, tot ik mijn laatste adem uitblaas. En verder nog: ik ben oud, moet u weten, lang zal het niet duren. En alsof hij haar een geheim wilde vertellen boog hij zich over het tafeltje heen en fluisterde haar toe: ziet u, Marie-Thérèse, het is eigenlijk een soort van lijfrente.
Vertaler Katrien Vandenberghe over Paris-Brest
De roman opent met een beeld van Brest. Brest, waar niemand komt die er niet om een speciale reden moet zijn, omdat het zo uit de richting ligt, helemaal in de Finistère, het einde van de wereld nietwaar, en omdat het zo’n lelijke stad is (de ‘afgrijselijkste van Frankrijk’). De ooit platgegooide stad wordt door de kenner die Viel is (hij is er geboren en getogen) zo meesterlijk losjes neergezet dat er een onmiskenbare charme ontstaat. In het boek zitten meer van die fijne tegenstellingen verweven. Contrast tussen dikke mist of sigarettenrook en scherpe silhouetten. Tussen de merkwaardige kalmte van de zee en het woelige wedervaren tegen die achtergrond. Tussen de plus achttien miljoen van de grootmoeder en de min veertien miljoen van de vader. Zwart van de nacht, kwade raven, dikke letters, en wit van de Brestse bebouwing en de vele meeuwen (zonder dat het louter zwart-wit wordt). Contrast tussen maatschappelijke onder- en bovenlagen. Tussen het bevrijdende traject Brest-Parijs en de rit in omgekeerde richting, jaren later, als de ik-figuur denkt dat hij er klaar voor is. Discrepantie tussen overwinning en nederlaag, zwijgen en zeggen, werkelijkheid en fictie, zijn en schijn. Niet voor niets wordt het werkwoord ‘tegenspreken’ in diverse contexten gebruikt. Er zijn ook tal van motiefvariaties – het kleine en grote misdrijf, de kaakslag, de boekenrekken, allerlei gelach…
Tanguy Viel (1973) heeft er een meeslepend boek van gemaakt. In zijn vijfde Minuitroman komen diverse accenten uit zijn vroegere werk samen: de affiniteit met film, getuige Cinéma, over een man die geobsedeerd is door Mankiewiczs Sleuth; de fascinatie voor het gangstergenre, zie bij uitstek L’Absolue Perfection du crime; de kracht van de toon, van wat tussen de regels staat in Cet homme-là, blik op Jezus’ leven aan de hand van Giotto’s fresco’s. Dat bijzondere timbre is Viels handelsmerk. Hij neemt een frisse invalshoek, die meervoudig kan zijn, zoals in deze familieroman-met-crimi-allures-over-prille-roep-van-het-schrijverschap, en smeedt alles tot een sfeervol geheel waarin elk woord op zijn plaats is. Paris-Brest ontleent zijn originaliteit in niet geringe mate aan het ongedwongen, subtiel geestige parlando van de ik-verteller, die ver van familieperikelen zijn evenwicht heeft gevonden en rake, lichtjes gechargeerde, soms bijna archetypische scènes neerzet, maar intussen toch wrange dingen oproept, wat tot in het ritme toe voelbaar is. De losse verteltrant is overigens best verraderlijk als het op vertalen aankomt. Het systeem ervan is me duidelijk geworden achter de strijkplank: ik merkte dat ik in gedachten voortdurend stukjes zin herhaalde, compleet met beklemtonende inversie en parallellie, een beetje zoals in de Franse tekst. Het mocht dus niet om de een-op-een-weergave van alle zinsegmenten gaan, wel om de spontane, spreektalige retoriek van de ik-verteller. Die stel ik me dan voor aan zijn Parijse schrijftafel, achteroverleunend in kringelende rook, en af en toe uit het raam kijkend naar de kinderen in de Jardin du Luxembourg. Een paar eigenzinnige, erg goed getroffen beelden verhogen het verrassingsgehalte van dit opmerkelijke, perfect gecomponeerde boek, dat leest als de trein van Parijs naar Brest.
