Gesprek met vertaalsters Jeanne Holierhoek en Janneke van der Meulen over De Welwillenden
Dan is het eind maar zoek
De vertaling van De Welwillenden van Jonathan Littell, van Jeanne Holierhoek en Janneke van der Meulen was een titanenklus, zowel door omvang als door onderwerp. Henk Pröpper schreef erover in de Volkskrant: ‘Ze leverden een prestatie om de hoed voor af te nemen.’
Jeanne Holierhoek studeerde Frans aan de Rijksuniversiteit Leiden. Ze vertaalde onder meer romans van Tournier, Ionesco, De Beauvoir, filosofische werken van Voltaire en Montesquieu en operalibretto’s. Zij ontving in juni 2007 de Elly Jaffé Prijs voor haar literaire vertalingen uit het Frans.
Janneke van der Meulen studeerde achtereenvolgens twee jaar Nederlands, filosofie en Frans aan de Universiteit van Amsterdam. Ze vertaalde onder meer Engelse en Amerikaanse romans, kinderboeken, essays en ruim zestig libretto’s (waaronder Wagners Ring des Nibelungen).
In 2006 was hij er ineens in de Franse literaire wereld: Jonathan Littell, een Amerikaan van geboorte, die een bijzonder controversieel boek in het Frans schreef en daar direct de Prix Goncourt voor kreeg.
De Welwillenden is een minutieus verslag van alles wat hoofdpersoon Max Aue tijdens de Tweede Wereldoorlog als 'functionaris van de dood' heeft meegemaakt aan het oostfront, in Polen, Hongarije, de Oekraïne, Rusland en Berlijn.
'Dan is het eind maar zoek' tekent de instelling die beide vertaalsters in hun werk vertonen. Vertalen is tijdrovend, het is niet zo dat je het dankzij je ervaring steeds sneller kunt – nee, je doet het omdat je het interessant vindt. En daarbij ga je tot het uiterste. Een gesprek met Jeanne Holierhoek en Janneke van der Meulen geeft een goed beeld van hoe hun samenwerking moet zijn gegaan: ze vullen elkaar in woord voortdurend aan en vragen elkaars mening wanneer ze zijn uitgesproken. Soms gaan ze met elkaar in discussie, zijn ze het duidelijk oneens. Maar steeds bevlogen, respectvol en bijzonder open en eerlijk. Een verslag van een inspirerend gesprek.
> Hoe werkten jullie samen aan de vertaling?
‘We hadden samen een paar libretto's vertaald, maar nog nooit samen een boek. We zijn in januari 2007 begonnen, maar hoe lang we precies met dit boek bezig zijn geweest is lastig te zeggen. Toen we begonnen, lagen er nog wat kleinere opdrachten, en ook kwam de Elly Jaffé Prijs ertussen, met alle drukte van dien.
We hebben veel research gedaan, en dat is altijd interessant. Het is verbijsterend wat je alleen al op Google kunt vinden. Littell is bijvoorbeeld in zijn beschrijvingen van gezichten en gebouwen bijzonder gedetailleerd, en het is handig dat je in de meeste gevallen heel snel een of meer afbeeldingen van het beschrevene kunt vinden. De Duitse vertaler had een hele commissie die met hem meelas en ook alles in het boek op juistheid controleerde. Zelf zouden we niet op zo’n manier willen werken, want hoe tijdrovend soms ook, de research is voor ons onderdeel van het hele vertaalproces. We hoefden geen specialisten te raadplegen, want bijna alles kan in boeken en op het internet worden opgezocht.’
Jeanne kreeg twee planken met boeken over de Tweede Wereldoorlog cadeau en maakte daar dankbaar gebruik van.
‘Van Littell zelf kregen we een digitale versie van zijn boek, dat was erg handig, omdat je daarmee niet alleen bepaalde woorden maar ook personages moeiteloos in diverse contexten kunt terugvinden. Zo’n volumineus boek vergt sowieso een hele administratie, en een deel daarvan wordt je door de digitale versie uit handen genomen.’
> Van wie kwam het idee om jullie als duo hiervoor te vragen?
Jeanne: ‘De uitgever heeft mij benaderd en ik heb Janneke erbij gevraagd. Littell had als eis aan de uitgever gesteld dat zijn boek maar door één vertaler werd vertaald, maar ik wilde het niet alleen doen. Dat zou te zwaar zijn en te lang duren. Je krijgt op driekwart van zo'n boek misschien een dip en dan kan een ander je daar snel weer uit halen. Ook een gevaar van alleen werken is dat je het boek te veel van jezelf maakt, dat je het jezelf te veel toeëigent. Doordat je samenwerkt hou je elkaar scherp en bij de les. Gelukkig heb ik Littell ervan kunnen overtuigen dat een duo-vertaling juist beter zou kunnen worden. Janneke en ik hadden dezelfde ideeën over de stijl die voor dit boek moest worden gehanteerd. Bovendien communiceerden we gemakkelijk, we begrepen snel van elkaar wat we bedoelden, namen dingen van elkaar aan zonder oeverloos te discussiëren.’
> Hoe gingen jullie te werk?
‘We hebben de eerste 50 pagina's allebei gedaan, en vervolgens ieder steeds 20 pagina’s vertaald om de tekst en elkaar zo dicht mogelijk te blijven volgen. Daarna hebben we onze vertalingen uitgewisseld en in verschillende rondes intensief becommentarieerd en tot in details samengevoegd.’
> Waar zaten de specifieke vertaalmoeilijkheden?
‘Inhoudelijk stuitten we bijvoorbeeld op het probleem dat voor sommige begrippen, zoals “zone des intérêts” (het gebied rond Auschwitz) geen echt Nederlands equivalent bestaat. Vooral door er nog meer omheen te lezen, hoop je dan uiteindelijk tot een oplossing komen. Een specifiek kenmerk van Littells stijl is zijn vaak nogal barokke taalgebruik, met bij voorkeur een stuk of drie bijvoeglijke naamwoorden. In het Frans kan het adjectief zowel achter als voor het zelfstandig naamwoord staan, een mogelijkheid die het Nederlands niet biedt. Omdat een “letterlijke” vertaling er dan in het Nederlands vaak “opgepropt” uit zou komen te zien, hebben we de bijvoeglijke naamwoorden soms op een andere manier verwerkt, bijvoorbeeld in een bijzin of ook wel in het werkwoord. We streefden er hierbij wel naar om het Nederlands niet uitvoeriger te maken dan het Frans.’
Jeanne: ‘Het boek las vrij vlot en leek daardoor ook makkelijk te vertalen. Hoe moeilijk het was wisten we pas achteraf!’ Janneke: ‘Maar zo gaat dat met vertalen. Het is altijd moeilijker en het duurt altijd langer dan je denkt.’
> Hoe ontwikkelt de hoofdpersoon, Max Aue, zich? Wat vinden jullie van de hoofdpersoon?
Janneke: ‘Aue wordt aangetrokken door de radicaliteit van de oorlog en is een overtuigde nazi, die met grote inzet en zorgvuldigheid probeert te doen wat hij als zijn taak beschouwt. Een heel problematische ikfiguur dus.’
Jeanne: ‘Er is sprake van een golfbeweging in de karakterschets van Aue. In de Toccata [het begin van het boek] is hij een rancuneuze ouwe man, in Allemandes 1 & 2 verandert die toon. Dan kun je iets meer met hem mee gaan, want in dit deel is hij aanvankelijk vooral toeschouwer. Maar later in het boek, als hij gewond is geraakt bij Stalingrad, wordt hij steeds gewelddadiger. De man heeft vele gezichten.’
Janneke: ‘Eigenlijk zou je de Toccata nog een keer moeten lezen als je het boek helemaal uit hebt.’
> Sommige critici vinden Aue een ongeloofwaardig figuur. Vinden jullie dat ook?
Jeanne: ‘Eerst niet, maar in de loop van het verhaal wordt hij voor mij steeds ongeloofwaardiger. Littell heeft overigens zo’n geweldige schrijftechniek dat je ten dele toch “meegaat” in de ontwikkeling van de hoofdpersoon. Misschien ondergaat Aue een persoonlijkheidsverandering doordat hij in Stalingrad een kogel door zijn hoofd krijgt. Dat is door Littell fantastisch beschreven.’
Janneke: ‘Ja, als lezer heb je eerst helemaal niet door wat er precies gebeurd is, want Aue voelt alleen maar iets tegen zijn voorhoofd tikken; maar als hij in de Wolga is gesprongen en van alles langs zich heen ziet drijven, blader je terug en dan pas besef je dat hij door een kogel geraakt moet zijn. Daarna volgt een prachtige surreële en bizarre passage.’
`Littell is in zijn beschrijvingen zeer gedetailleerd, maar over joden schrijft hij uitsluitend vanuit het daderperspectief. En als er dan toch iets wordt verteld waarin joden als individuen aan bod komen, raakt het soms aan kitsch - maar bewuste kitsch. Littell weet ongelooflijk goed wat hij doet.’
Janneke: ‘Dat is het goede van het boek, het geeft je continu een ongemakkelijk gevoel.’
> Wat vinden jullie van de kritiek op Littells stijl?
‘We hebben de kritiek die men daarop in Frankrijk had bekeken, maar vonden die onterecht en eigenlijk reactionair. Zo verweet men Littell dat hij veel anglicismen zou gebruiken. Maar dat soort purisme is ook maar een opvatting, en het is nogal willekeurig, want als auteurs uit bij voorbeeld Afrikaanse landen uitdrukkingen uit hun taal in het Frans inbrengen geldt dat als een taalverrijking. Waarschijnlijk ook omdat Littell een halve Amerikaan is heeft hij het in de Franse pers zwaar te verduren gehad. Hij heeft zeker ook zijn stilistische eigenaardigheden, maar het is een stijl die wérkt.’
Janneke: ‘Littell is een detailmaniak, dat zie je in al zijn beschrijvingen terug, van de slachtingen tot en met de dromen en seksuele fantasieën.’
> Als lezer bekruipt je gaandeweg een gevoel van schaamte dat je het boek verder wilt lezen. Hebben jullie dat als vertalers ook ervaren?
Jeanne: ‘Nee, echt schaamte heb ik niet gevoeld. Wel bekroop me soms een soort gêne als ik tijdens research bepaalde foto’s steeds opnieuw onder ogen kreeg. Bijvoorbeeld van een man die aan de rand van een massagraf staat vlak voordat hij wordt doodgeschoten en die rechtstreeks in de camera lijkt te kijken. Ook heb ik woede gevoeld over die grijnzende koppen van de Duitsers om hem heen.’
Janneke: ‘Bij schaamte gaat het misschien ook over schuld die je meent te hebben. Ten opzichte van de slachtoffers vind ik het alleen maar goed dat zo gedetailleerd wordt verteld “hoe het is gegaan”, omdat ze op die manier toch alsnog gezien worden. Het is wel gruwelijk, maar het is goed om stil te staan bij wat er is gebeurd. Dat maakt het boek waardevol. Het boek heeft ook de opdracht: Voor de doden. Dat is niet voor niets.’
> Zijn jullie door het boek tot nieuwe inzichten over de Tweede Wereldoorlog gekomen?
Jeanne: ‘Ik had mijn leesgeschiedenis, maar ik wist nog heel veel niet. Met name over het Duitse optreden in de Oekraïne en over de kwestie van de Bergjuden heb ik veel nieuws gelezen. Wat feiten betreft is het zo'n rijk boek.
En het daderperspectief geeft veel onverwachte informatie, ook al krijg je daardoor op zich niet meer begrip voor de daders. Aue is en blijft een misdadiger. Hij krijgt op een bepaald moment de mogelijkheid terug te gaan naar Berlijn, maar door een mengeling van nieuwsgierigheid, fascinatie en zorg om zijn carrière blijft hij bij zijn Einsatzkommando.’
Janneke: ‘Ik heb veel van het boek geleerd, zowel op feitenniveau als puur literair. Maar pas over een paar jaar weet ik of ik tot andere inzichten ben gekomen.’
> Hebben jullie de auteur ontmoet?
‘We zijn bij hem in Barcelona op bezoek geweest en werden heel gastvrij ontvangen. Littell is niet makkelijk voor journalisten, maar blijkbaar wel voor vertalers. Hij stelde zich erg toegankelijk op.
We hebben hem al onze vragen kunnen stellen, hij gaf heel secuur antwoord. Het leek wel alsof hij het boek min of meer uit zijn hoofd kende. Onze bewondering groeide alleen nog maar, en toen we teruggingen waren we er nog sterker van overtuigd hoe welbewust hij in alle opzichten te werk is gegaan en dat wij op onze beurt dus ook zo trouw mogelijk aan zijn tekst moesten zijn.’
> Is er contact met andere vertalers?
‘Voor zover we weten, had Littell met de andere vertalers alleen mailcontact, ook de vertalers onderling hebben geen contact.
Voor de Engelse vertaalster is het een heel moeilijk en zwaar proces. [De Engelse vertaling is in maart 2009 verschenen bij HarperCollins.] Zij is via een soort ‘’pitch’’ geselecteerd. Littell heeft in haar vertaling veel correcties aangebracht, zijn eigen roman weer enigszins bewerkt – in Barcelona hebben we een paar pagina’s van de bewerkte vertaling gezien. Misschien is de Engelse editie voor hem een soort thuiskomen en kan hij het boek in die taal niet loslaten. Ook vanwege zijn vader, de spionagethrillerschrijver Robert Littell, staat er voor hem bij de Engelse editie misschien extra veel op het spel. Maar de vertaalster is hierdoor wel in een lastig parket verzeild geraakt.’
Jeanne: 'De vertaalster zit nu in een herstellingsoord.' Janneke: 'Dat mogen we hopen.'
‘We hebben ook de Duitse vertaling kunnen bekijken, die al in februari uitkwam. Dat was instructief. Het is altijd interessant om te zien wat een ander doet met problematische zaken. Ook waren de Braziliaanse, Spaanse, Italiaanse en Koreaanse vertaling al voorhanden.
Vertalen met z'n tweeën betekent trouwens niet dat je ook twee keer zo snel bent, zeker niet als je het werkelijk samen doet. Het fijne van de uitgever was dat er niet werd aangedrongen op haast, dat was ouderwetse luxe. Maar desondanks is een vertaling nooit helemaal af, bij een herdruk zien we vast wel weer dingen.’
> Waar zijn jullie nu mee bezig?
Janneke: ‘Voor de komende tijd heb ik een paar kleinere klussen op operagebied en verder wil ik een paar maanden vooral veel lezen, onder meer naar aanleiding van dit boek. En als de Engelse editie er is, ga ik die zeker ook doornemen, omdat dat natuurlijk een extra interessante andere versie is.’
Jeanne: ‘Ik doe nu allerlei losse dingen, vooral ook lesgeven. In januari 2009 begin ik aan mijn volgende grote vertaalproject: Descartes.
© De Arbeiderspers/Ineke Boerrigter
