Gedichten Atte Jongstra

FEESTVLOKKEN ZODOENDE

Zodoende, zo dus doende heb ik, moet ik wel, uit de
mond, de mond vol, moet ik wel uit de mond nemen,
kan ik niets anders dan een wonder uit de
volle ondermond nemen. Zoveel te beter, dan is
het zo veel te beter.

Ik wist niet of ik het doen zou, ik wist niet beter dat
ik daardoor onder, boven, buiten, dat ik moest vlokken
uit de mond spreken: beter zo - dan anders doende.
Had ik eenmaal, nu dan moest ik wel, best, och!
Niet benauwd de mond, nu er toch gespreekvlokt
wordt, niet zo benauwd op deze manier, de wijs
van uit de mond nemen op deze manier. Als het
toch moet dan moet het maar zo gedaan. Zonder
vrij wat nadeel kan het immers dus zo doende.

Spreekvlokken tot op het wit zo opvieren dat ik
zodoende een zware mondvol feestvlokken uitneem,
dan is het zoveel te beter. Beter jubelen met u,
met u uitjubelen, feest onder ons.

Dat het zo en dus doende, dat het wonder zo,
dat er een arbeider ter nederzat die er tachtig
vanonder uit te persen, tachtig feestvlokken
uit te drukken wist. In die hele drukperiode
een tachtigwonder neer te leggen meende te
moeten en te

88888888888888888888888888888888888

Kunnen, omdat het anders, omdat het zo anders
gewoon dus niet... Heb ik feestvlokken uit de
onderwondermond mee naar boven gedrukt
naar de arbeiders, wel tachtig toe, geperst dus
zo doende.

DAT DE NEVEL KOME

Een onmetelijke in een veelhoek van graden
hoog staande vlakte van majolica-achtige
aard. Geel als mensenhuid. Uiteinden gehuld in
verdwenen en komende mist. Over de gehele
schuinte uitsteeksels in chronologische volgorde
verdeeld zeshoekig. Ene meter in doorsnee.
Half hoog.

Staande zijn er onderbenen van elkaar inniglijk om en
om armende arbeidersjongens en –meisjes. Zowel dat
de voeten eigenaardig staan, passend, juist om de vier
vlakken van de zeshoeken. En iedereen maar steeds
als persende arbeiders naar de nevel toe bewegen
en dat al tachtig jaar. Omdat het bewegen moet, wil.
Omdat het kan, leven. Allen met die eigenaardige
voethouding en slijm op alle uitsteeksels. Wat? Ze
coïteren! Terstond mij terug Getrokken in een slecht
zittende, nauwe houten hut waar ik met stro bedekt
aanzie de komende dingen. Door de opening. Hoor ik
'Berg!' geroepen en 'AP!' naar de nevel toe en

Kent u een persgedicht waarin 'Arbeier!' een grote rol
speelt? Een of andere ballade die zo eindigt, die ballade
heet AP, een ridder. AP hoe is je zwaard zo rood? En
dan komt de grandioze climax in juist die A en die P
naar de onder- en bovennevel toe, met daartussen
steeds het slijm der uitsteekselen, onderbenen, scheve
voeten, zeshoeken, majolica en

AP, dat de nevel, alom de bergnevel, over mijn
hut komen moge, AP!