Fragment uit De Welwillenden

Bij de grens was een pontonbrug gelegd. Vlak ernaast staken uit het grijze water van de Boeg nog de verwrongen traveeën van de metalen brug die door de Russen was opgeblazen. Onze geniesoldaten hadden de nieuwe brug in één nacht aangelegd, zo werd er verteld, en onverstoorbare Feldgendarmen, hun halvemaanvormige ringkragen blinkend in het zonlicht, stonden met vanzelfsprekend gezag het verkeer te regelen, alsof ze nog in eigen land waren. De Wehrmacht had voorrang, wij moesten wachten. Ik richtte mijn blik op de brede, traag stromende rivier, de stille groepjes bomen aan de andere oever, de drukte op de brug. Daarna waren wij aan de beurt, en meteen aan de overkant gingen we verder langs een brede weg, met aan weerszijden een soort wal, bestaande uit de karkassen van Russisch materieel: uitgebrande en in elkaar gezakte vrachtwagens, tanks die als conservenblikjes waren opengereten, affuiten die als strootjes waren geknakt – omvergeworpen, meegesleurd, verstrengeld tot een eindeloze, verkoolde strook van ordeloos op elkaar gesmeten wrakstukken. Verderop vlamden de bossen in het stralende zomerlicht. De onverharde weg was vrijgemaakt, maar vertoonde nog wel de sporen van explosies, grote olievlekken, losse brokstukken. Vervolgens kwamen de eerste huizen van Sokal. In het stadscentrum klonk hier en daar nog het zachte geknetter van een brand, stoffige lijken, veelal in burgerkleding, lagen tussen het puin en gruis en versperden een deel van de weg; een eind verder, in een park, stond een rij witte kruisen met eigenaardige dakjes erboven, keurig opgesteld onder de schaduwrijke bomen. Twee Duitse soldaten waren bezig er namen op te schilderen. Daar bleven we wachten, terwijl Blobel, vergezeld van onze intendanceofficier Strehlke, zich naar het hoofdkwartier begaf. Een zoetige, enigszins onaangename lucht vermengde zich met de snijdende rook. Blobel kwam al snel weer terug: ‘Het is in orde. Strehlke gaat kwartier maken. Komt u maar mee.’
Het aok* had ons in een school ondergebracht. ‘Het spijt me,’ zei een kleine intendant in verkreukt feldgrau verontschuldigend. ‘We zijn nog niet helemaal op orde. U krijgt wel rantsoenen aangeleverd.’ Onze plaatsvervangende commandant von Radetzky, een elegante Balt, wuifde met een gehandschoende hand en glimlachte: ‘Geeft niet. We blijven toch niet lang.’ Er waren geen bedden, maar we hadden dekens bij ons; de manschappen gingen op de kleine schoolstoeltjes zitten. We waren met ongeveer zeventig in totaal. ’s Avonds kregen we inderdaad wat te eten: vrijwel koude soep met kool en aardappel, rauwe uien en hompen kleverig boekweitbrood, dat verbrokkelde zodra je het sneed. Ik had honger, doopte het brood in de soep en beet in de uien. Radetzky regelde de wacht. De nacht verliep rustig.
De volgende ochtend riep onze commandant, Standartenführer Blobel, zijn Leiter bijeen voor een bezoek aan het hoofdkwartier. Leiter iii, mijn directe superieur, wilde een rapport uittikken en stuurde mij in zijn plaats. De staf van het Zesde Leger, aok 6, waar wij onder vielen, had zijn intrek genomen in een ruim, Oostenrijks-Hongaars gebouw, waarvan de voorgevel vrolijk oranje was gepleisterd, verfraaid met zuilen en stucdecoratie, bezaaid met de gaatjes van ingeslagen scherven. We werden ontvangen door een Oberst, die duidelijk een goede bekende was van Blobel: ‘De Generalfeldmarschall is buiten aan het werk. Komt u maar mee.’ Hij bracht ons naar een weids park, dat begon achter het gebouw en zich uitstrekte tot aan een dieper gelegen bocht van de Boeg. Bij een eenzame boom beende een man in zwempak met grote passen heen en weer, omringd door een gonzende zwerm officieren in doorgezwete uniformen. Hij keerde zich naar ons toe. ‘Ah, Blobel! Goedemorgen, meine Herren.’ Wij salueerden: dit was Generalfeldmarschall von Reichenau, de opperbevelhebber van het leger. Zijn gewelfde, behaarde borst glansde krachtig; de beroemde monocle, vastgezet in het vet waarin, ondanks zijn atletische gestalte, de Pruisische verfijning van zijn gelaatstrekken bijna volledig ten onder was gegaan, schitterde in het zonlicht, onbetamelijk, haast lachwekkend. Terwijl hij nauwgezette, uiterst gedetailleerde instructies formuleerde, bleef hij met bruuske tred heen en weer lopen; wij moesten achter hem
aan, hetgeen enige verwarring teweegbracht; ik botste tegen een Major, en veel van wat er gezegd werd ontging me. Ineens bleef hij staan: we konden gaan. ‘O ja! Nog iets anders. Vijf schutters per jood is te veel, daar hebt u de mankracht niet voor. Twee schutters per veroordeelde is genoeg. Wat de bolsjewieken betreft, we moet eerst weten hoeveel het er zijn. Bij vrouwen kunt u een heel peloton inzetten.’ Blobel salueerde: ‘Zu Befehl, Herr Generalfeldmarschall.’ Reichenau sloeg zijn blote hielen tegen elkaar en hief zijn arm: ‘Heil Hitler!’ – ‘Heil Hitler!’ antwoordden wij in koor, waarna we ons terugtrokken.
Sturmbannführer Dr. Kehrig, mijn superieur, hoorde mijn verslag met een nors gezicht aan. ‘Dat is alles?’ – ‘Ik kon niet alles verstaan, Sturmbannführer.’ Hij trok een grimas, terwijl hij verstrooid met zijn papieren speelde. ‘Ik begrijp het niet. Van wie moeten wij uiteindelijk onze bevelen krijgen? Van Reichenau of van Jeckeln? En Brigadeführer Rasch, waar zit die?’ – ‘Ik weet het niet, Sturmbannführer.’ – ‘U weet ook niet veel, Obersturmführer. Nou, ingerukt!’